Gemmotherapie
Gemmotherapie
Persoonlijk heb ik een bijzondere voorliefde voor gemmotherapie, het gebruik van embryonale plantenweefsels, zoals knoppen of jonge scheuten. Deze toppen worden geweekt in een mengsel van alcohol en glycerine (of honing). Het is dan ook een therapie uit de bomen. Misschien trok ze me daarom meteen aan?
Pol Henry, een Belgische arts, wordt beschouwd als de grondlegger van de gemmotherapie (die hij eerst fytembryotherapie noemde). Hij was de eerste die de hypothese formuleerde dat het meristeem (celweefsel gespecialiseerd in plantengroei) alle informatieve energie moet bevatten die nodig is voor de ontwikkeling van de plant. Hij werkte nauw samen met zijn vriend, de bioloog Jean-Claude Leunis, een van de voorlopers van het gebruik van bloedtesten voor medische diagnoses.
Gemmotherapie werd daarna in Frankrijk ontwikkeld door dokter Max Tétau, die Pol Henry persoonlijk kende. Voor zijn onderzoek bundelde hij de krachten met een bevriende arts, dokter Daniel Scimeca. Samen kozen ze ervoor om in Frankrijk te experimenteren en gemmotherapie te ontwikkelen.
Sindsdien heeft gemmotherapie zijn weg gevonden. Het wordt nu steeds meer gebruikt in België en Frankrijk; maar ook in Italië en Roemenië. Het stak zelfs de Atlantische Oceaan over.